Taalwinkel

Structureren

Na de voorbereidende fase, waarin je het onderwerp van je tekst duidelijk hebt afgebakend in de centrale vraag, begin je met het structureren van de tekst.

Voor je begint

Probeer – voordat je begint met het echte schrijfwerk – in één alinea te formuleren hoe je je werkstuk wilt opbouwen. Daarmee dwing je jezelf goed na te denken over de grote lijnen van je verhaal. Bovendien heb je meteen een leeswijzer voor in je inleiding.

In dit voorbeeld wordt de werkwijze beschreven bij de adviserende centrale vraag: Hoe kan een ADHD-stoornis het beste behandeld worden?

Om deze vraag te kunnen beantwoorden worden in het eerste hoofdstuk de achtergronden bij het onderzoek beschreven. Daarbij is met name gebruik gemaakt van de meest recente publicaties over ADHD-stoornissen. Vervolgens wordt in het tweede hoofdstuk de gevolgde werkwijze bij het onderzoek weergegeven. Hoofdstuk 3 bevat de resultaten van het onderzoek, hoofdstuk 4 de interpretatie van deze resultaten. In het laatste hoofdstuk, hoofdstuk 5, staan de conclusies van het onderzoek op grond waarvan adviezen gegeven worden voor de behandeling van ADHD-stoornissen.

Gebruik deze tips om je verslag goed te plannen:

  • Gebruik de voorschriften voor de opbouw van een werkstuk.
  • Geef de hoofdstukken en paragrafen werktitels om een duidelijk overzicht te hebben. Later kun je ze aanpassen aan de criteria waaraan titels moeten voldoen.
  • Plan minstens tot op paragraafniveau; anders biedt het schema te weinig houvast bij het echte schrijfwerk.
  • Plan daarentegen ook niet té gedetailleerd. Dan is er nog weinig ruimte voor de goede invallen die je vaak tijdens het schrijven zelf krijgt.
  • Bekijk de opbouw van een paar andere scripties die goed beoordeeld zijn.
  • Werk je tekstschema zorgvuldig uit; dit kun je straks als uitgangspunt voor de inhoudsopgave gebruiken.
  • Zorg dat je weet wat de technische eisen zijn (lettertype en -grootte, aantal pagina's, onderdelen, etc.), nog voordat je gaat schrijven. Dan begin je direct met de juiste instellingen en standaarden, en daarmee voorkom je dat je achteraf nog van alles moet wijzigen.
  • Kill your darlings. Dit verschijnsel herkent bijna iedere schrijver: iets wat je eenmaal met enige zorg en aandacht op papier hebt gezet, kun je niet makkelijk meer schrappen. Je bent als het ware een beetje van je zinnen gaan houden. Daarom is het verstandig niet in een te vroeg stadium te beginnen met het schrijven van de tekst en eerst goed te bedenken waar je heen wilt met de tekst. Met het schema in de hand heb je een goed selectiecriterium wat wel en niet te schrijven, zodat je de ‘pijn’ van het schrappen grotendeels kunt voorkomen.

De globale structuur van je tekst

Een tekstschema is een voorlopige indeling van je tekst. Je kunt een tekstschema maken in een boomstructuur of in een kolommenschema. Je geeft in het schema aan welke onderwerpen bij elkaar horen en in welke volgorde je ze wilt behandelen. Maak een tekstschema dat aansluit op je centrale vraag.

Orden de verzamelde informatie op een logische manier. Dat betekent bijvoorbeeld dat je onderwerpen elkaar niet overlappen. Er zijn verschillende indelingsprincipes om dat te voorkomen. Gebruik telkens maar één indelingsprincipe van gelijke orde per niveau. Heb je onderverdelingen? Zorg dan dat er altijd minstens twee subcategorieën zijn.

Bepaal vervolgens welke informatie in welk tekstonderdeel moet komen. Daarbij kun je gebruikmaken van vaste structuren van bepaalde onderdelen. In deze fase bedenk je ook (voorlopige) titels.

De structuur van je alinea's

Alinea’s zijn de kleinste informatiedragers van een tekst. Losse zinnen en woorden bevatten weinig informatie voor de lezer, maar een alinea bestaat uit een aantal samenhangende zinnen die over hetzelfde onderwerp gaan.

Met verwijs- en signaalwoorden kun je tot slot verbanden leggen tussen zinnen en alinea's. Met verwijswoorden – de naam zegt het al – verwijs je naar een bepaald onderdeel van de tekst, met signaalwoorden geef je een seintje aan je lezer dat die een bepaald verband moet leggen tussen de onderdelen.

Wat voor type schrijver ben jij?

Mozart begon pas te schrijven als hij zijn composities helemaal perfect in zijn hoofd had uitgedacht. Schrijven was voor hem alleen nog uitschrijven. Beethoven begon al noterend te componeren. Zijn composities kwamen schrijvend en schrappend tot stand. Schrijven was voor hem vooral herschrijven. Beiden hadden echter fantastische resultaten.

Er zijn dus meerdere werkwijzen die tot een goed resultaat leiden. De een bedenkt liever zoveel mogelijk voordat hij gaat schrijven, terwijl een ander pas ideeën krijgt als hij aan het schrijven slaat. Uit schrijfonderzoek is gebleken dat je vooral bij het schrijven van langere teksten het beste resultaat boekt als je een mix van deze beide strategieën toepast: vooraf plannen is noodzakelijk om de weg niet kwijt te raken, maar er moet ook ruimte zijn voor de invallen die al schrijvenderwijs in je opkomen. De een zal daarbij wat meer en gedetailleerder plannen dan de ander. Dat ligt er maar aan. Ben je meer een Mozart, of een Beethoven?

Gepubliceerd door  Taalwinkel 22 februari 2022