Taalwinkel

De bouwstenen van een tekst bepalen

Als je een tekstschema hebt gemaakt en de informatie geordend hebt, kun je je tekst opbouwen. Uit welke onderdelen de tekst bestaat, hangt af van het soort tekst dat je schrijft – een verslag, essay of nog wat anders. Welke informatie in welk tekstonderdeel moet komen, bepaal je in deze fase, waarin je ook (voorlopige) titels bedenkt.

De volgende onderdelen kunnen in de onderstaande volgorde deel uitmaken van scripties, verslagen en andere langere wetenschappelijke teksten; voor essays gelden bijvoorbeeld weer andere regels. Houd er wel rekening mee dat per instituut, afdeling of faculteit andere afspraken bestaan over de volgorde, de benaming en het al dan niet opnemen van deze tekstonderdelen. Neem deze informatie dus niet klakkeloos over, maar informeer naar de afspraken binnen jouw vakgebied.

Titelpagina

Je tekst begint met de titelpagina. Vermeld hierop de volgende kenmerken:

  • Titel
  • Eventueel ondertitel
  • Naam van het vak
  • Naam van de docent
  • Datum van voltooiing
  • Naam auteur
  • Studentnummer
  • Studierichting
  • Opleiding

Voorwoord

Dit is een niet-noodzakelijk tekstonderdeel. In het voorwoord kun je mensen bedanken die hebben geholpen bij het tot stand komen van de tekst, aangeven voor wie de tekst geschreven is en waarom. Eigenlijk gebruik je het voorwoord alleen bij lange teksten als eindopdrachten, proefschriften of masterscripties.

Inhoudsopgave

Bij een langere tekst (langer dan acht pagina’s) neem je een inhoudsopgave op. In de inhoudsopgave:

  • geef je een overzicht van de opbouw van de tekst;
  • geef je een overzicht van de overige onderdelen die zijn opgenomen;
  • zie je in feite een goed uitgewerkt tekstschema terug.

Het maken van de inhoudsopgave is echt een precisiewerkje. Je kunt (bijvoorbeeld in Word) een automatische inhoudsopgave laten genereren, maar ook hier kunnen foutjes in sluipen. Zorg ervoor dat je de inhoudsopgave dus niet op het allerlaatst maakt en werk deze telkens bij. Daarmee voorkom je kleine slordigheidjes, zoals verouderde paginanummers.

Inleiding

In zijn boek La Peste beschrijft de Franse schrijver Camus de worsteling van een schrijver die al twintig jaar bezig is de eerste zin van zijn roman te formuleren. Zo’n worsteling hoef je bij het schrijven van de inleiding gelukkig niet door te maken: het concept ligt voor je klaar, dus beginnen is niet moeilijk.

Een goede inleiding bevat de volgende elementen:

  • Introductie van het onderwerp: waar gaat de tekst over?
  • Aanleiding: waarom schrijf je deze tekst?
  • Centrale vraag: welke vraag ga je beantwoorden?
  • Werkwijze: wat komt er achtereenvolgens aan de orde?

Je hoeft dat niet per se in deze volgorde te doen, maar deze ligt wel voor de hand. Verder kun je de inleiding het beste achteraf helemaal schrijven. Pas dan heb je een goed overzicht van de hele tekst en de definitieve centrale vraag en indeling. Tijdens het schrijven van de tekst zul je die namelijk soms nog aanpassen en veranderen. Je kunt wel alvast een eerste opzet maken (vanuit je tekstschema!) zodat je het overzicht hebt.

Samenvatting of conclusie

Het laatste onderdeel van de kern van je tekst is een samenvatting óf een conclusie, nooit beide.

  • Schrijf bij een beschrijvende of een verklarend/informatieve centrale vraag een samenvatting.
  • Schrijf bij een verklarend/betogende, beoordelende of adviserende centrale vraag een conclusie.

Toch zijn er ook veel overeenkomsten tussen de samenvatting en conclusie; ze zijn niet voor niets allebei de laatste onderdelen van een tekst. Let bij het schrijven ervan op de volgende zaken:

  • Zet voor de beschrijvende en verklarende tekstdelen de kernzinnen van de alinea’s onder elkaar. Bij een samenvatting zijn dat dus alle tekstdelen. Gebruik bij een conclusie de argumentatiestructuur van je tekst als uitgangspunt voor de weergave van de belangrijkste argumentatie.
  • Herschrijf de kernzinnen en verbind ze met verwijs- en signaalwoorden tot een lopende tekst.
  • Maak een samenvatting of conclusie die niet langer dan 1/10de deel van de tekst is.
  • Zorg ervoor dat de tekst zelfstandig leesbaar is, dus los van de oorspronkelijke tekst.
  • In een samenvatting of conclusie wordt alleen samengevat wat al eerder is genoemd. Er komen geen nieuwe informatie of overwegingen in voor, en dus ook nooit een literatuurverwijzing.

Samenvatting

Dit laatste hoofdstuk van je tekst moet een representatieve weergave zijn ervan. De volgende hoofdpunten moeten erin voorkomen:

  • Een beknopte weergave van de inleiding: het onderwerp, de aanleiding en de centrale vraag.
  • Een beknopte weergave van het antwoord op de centrale vraag, d.w.z. de hoofdpunten van de beschrijving of de verklaring.

Conclusie

De conclusie is het laatste hoofdstuk van je tekst, en moet een representatieve weergave ervan zijn. De volgende hoofdpunten moeten erin voorkomen:

  • Een beknopte weergave van de inleiding: het onderwerp, de aanleiding en de centrale vraag.
  • Een beknopte weergave van de hoofdpunten van de beschrijvende en/of verklarende hoofdstukken.
  • Een beknopte weergave van de hoofd-, sub- en subsubargumenten in de betogende hoofdstukken.
  • Het antwoord op de centrale vraag, ofwel je standpunt en/of advies.
  • Eventuele aanbevelingen voor verder onderzoek.

Notenlijst

Dit tekstonderdeel neem je alleen op als je met eindnoten werkt. Laat de nummering van de noten doorlopen en begin niet elk hoofdstuk opnieuw. Controleer hoe noten worden vormgegeven volgens de gangbare methode op jouw vakgebied.

Werken met voetnoten is ‘gebruikersvriendelijker’. Voetnoten staan direct onderaan de pagina, dus de lezer hoeft het lezen niet al te erg te onderbreken met heen-en-weer geblader. Gebruik in geen geval beide systemen.

Literatuurlijst

De literatuurlijst bevat in alfabetische volgorde alle literatuur waarnaar in de tekst wordt verwezen. De lijst wordt vormgegeven via specifieke voorschriften die per instituut, afdeling of faculteit kunnen verschillen. Informeer naar de gangbare methode op jouw vakgebied. Kijk ook bij Literatuur verwerken voor een overzicht van de verschillende verwijssystemen.

Neem alleen titels op waarnaar je verwijst en neem dus geen titels op die nergens in de tekst voorkomen Voor vervolgstudie kun je natuurlijk wel suggesties doen voor bruikbare literatuur, maar deze staan niet in de literatuurlijst.

Leg de literatuurlijst al schrijvende aan. Iedere keer dat je een boek of artikel voor het eerst gebruikt, neem je de gegevens ervan direct op in de literatuurlijst. Daarmee voorkom je dat je iets vergeet op te nemen en ook een heleboel gezoek achteraf.

Bijlagen

Dit is een optioneel onderdeel. In bijlagen neem je informatie op die niet in de lopende tekst past of daar te veel onderbreekt. Voorbeelden van bijlagen zijn de vragenlijst bij een onderzoek, of overzichtslijsten met bepaalde gegevens. Wanneer je een bijlage opneemt, moet je altijd in de tekst ernaar verwijzen, zodat de functie ervan duidelijk is voor de lezer, en de bijlage er niet maar een beetje ‘bij hangt’. Nummer de bijlagen als je er meer dan een hebt.

Afbeeldingenlijst

Een afbeeldingenlijst neem je alleen op als je in je tekst afbeeldingen als foto’s, tabellen, diagrammen, tekeningen etc. hebt opgenomen.

Gepubliceerd door  Taalwinkel 28 februari 2022