Taalwinkel

Werkwoorden

In een zin staat altijd minstens één werkwoord. Daarbij moet je bijvoorbeeld letten op de juiste werkwoordstijd en de juiste plek in de zin. Dat maakt werkwoorden een complex onderwerp.

Tips

  • Bij de Taaladviesdienst van Onze Taal vind je heldere uitleg bij diverse grammaticakwesties, zoals de volgende.
  • Op Cambiumned vind je eveneens heldere uitleg, maar ook oefeningen bij diverse grammaticakwesties.
  • Gebruik je kennis van de grammatica om eventuele fouten in je tekst op te sporen.

In een zin moeten onderwerp en persoonsvorm altijd overeenkomen. Doe je dat niet, dan heb je te maken met incongruentie in je zin. Er zijn enkele twijfelgevallen waarbij niet meteen duidelijk is of je met een enkelvoud of meervoud te maken hebt: een aantal is/zijn, de VS is/zijn, zowel ... als, jong en oud is/zijn, het nadeel is/zijn de investeringen. Dan zijn er nog enkele andere lastige kwestie: ik die ... ben/is, u hebt/heeft, je kunt/kan, hij heeft/is gelopen.

In het Nederlands heb je verschillende werkwoordstijden. De meest voorkomende zijn de tegenwoordige tijd (praesens), de verleden tijd (imperfectum) en de voltooide tijd (perfectum). Ook de toekomende tijd (futurum) wordt vaak gebruikt in teksten. De vraag is dus: hoe verwijs je heden, verleden en toekomst, en wat is de passieve vorm?

In het Nederlands kunnen werkwoorden op verschillende plekken in de zin staan. In een bijzin komt de persoonsvorm bijvoorbeeld achterin de zin. Je moet dus weten wat de plaats van de persoonsvorm in de hoofdzin en in bijzinnen is. En wat doe je met twee werkwoorden in een zin, of zelfs meer dan twee werkwoorden in de zin?

Ook heb je soms te maken met onregelmatige werkwoorden: werkwoorden met een klinkerwisseling in perfectum en/of imperfectum. Ook kun je reflexieve werkwoorden (woorden met een vorm van 'zich') en scheidbare werkwoorden tegenkomen in teksten.

Gepubliceerd door  Taalwinkel 27 juni 2022