Taalwinkel

De juiste persoonsvorm

In een zin moeten onderwerp en persoonsvorm altijd overeenkomen. Doe je dat niet, dan heb je te maken met incongruentie in je zin. Er zijn enkele twijfelgevallen waarbij niet meteen duidelijk is of je met een enkelvoud of meervoud te maken hebt.

Een aantal is/zijn

Of je kiest voor een aantal is of een aantal zijn hangt af van je nadruk. Als je de groep wilt benadrukken, gebruik je het enkelvoud (zin 1). Gaat het je om de soort groep, dan kies je meervoud (zin 2). In de praktijk is dat een lastig verschil.

De tweede vorm wordt het meest gebruikt en klinkt ook logischer, omdat een aantal meerdere personen of dingen aanduidt. Het advies dat je beter het enkelvoud kunt gebruiken (zin 1) is dus niet terecht.

Gebruik je een constructie met van de, dan geldt alleen het enkelvoud. Je kan hier immers alleen verwijzen naar een aantal (zin 3).

  1. Een aantal studenten kwam te laat.
  2. Een aantal studenten kwamen te laat.
  3. Een aantal van de studenten kwam te laat.

De VS is/zijn

Gaat het om de VS als geheel, of om de VS? Je kunt zowel enkelvoud als meervoud gebruiken: de VS is of de VS zijn. Met het enkelvoud (zin 1) wordt door de afkorting meer benadrukt dat het om een land, een geheel gaat. Daarom heeft deze vorm de sterke voorkeur. Als je echter de Verenigde Staten voluit schrijft, kun je beter ook de persoonsvorm in het meervoud zetten (zin 2). In dat geval wordt benadrukt dat het onderwerp of subject in het meervoud staat.

Hetzelfde geldt voor andere geografische begrippen die je in het meervoud schrijft (zin 3). Zo gebruik je ook andere afkortingen van een meervoudig begrip vaak met enkelvoudige persoonsvorm (zin 4). Ook hier geldt dat je bij voluit schrijven bij voorkeur de persoonsvorm in het meervoud zet (zin 5).

  1. De VS is een offensief begonnen.
  2. De Verenigde Staten zijn een offensief begonnen.
  3. De Canarische Eilanden hebben een aangenaam klimaat.
  4. De NS heeft dit najaar veel last van vertragingen.
  5. De Nederlandse Spoorwegen hebben dit najaar veel last van vertraging.

Zowel ... als

Bij de zowel ... als-constructie kun je het beste kiezen voor het enkelvoud, als beide onderwerpen dezelfde vorm van de derde persoon hebben (zin 1). Als de onderwerpen verschillen, dan moet je wel meervoud gebruiken (zin 2).

Dat geldt ook als een of meer onderwerpen in het meervoud staan (zin 3). Wil je geen risico’s nemen? Vermijd dan deze constructie en herschrijf je zin: Ajax en Feijenoord hebben beide een sterk middenveld.

Deze zowel ... als-regels gelden ook voor de niet alleen ... maar ook-constructie (zin 4).

  1. Zowel Ajax als Feijenoord heeft een sterk middenveld. (Ajax heeft een sterk middenveld en Feijenoord heeft een sterk middenveld.)
  2. Zowel mijn moeder als ik houden van chocoladetruffels. (Mijn moeder houdt van chocoladetruffels en ik houd van chocoladetruffels.)
  3. Zowel de vrienden als de kennissen waren uitgenodigd. (De vrienden waren uitgenodigd en de kennissen waren uitgenodigd.)
  4. Niet alleen mijn zus, maar ook mijn broer was aanwezig. (Mijn zus is aanwezig en mijn broer is aanwezig.)

Jong en oud is/zijn

Dit is nog zo'n geval waarin beide varianten in principe goed zijn. Het ligt er maar aan: beschouw je jong en oud als een eenheid (zin 1), of niet (zin 2)? Dat geldt bijvoorbeeld ook voor peper en zout, of ziel en zaligheid.

  1. Jong en oud is vertegenwoordigd.
  2. Jong en oud zijn vertegenwoordigd.

Ik die ... ben/is

Je persoonsvorm hoort altijd bij je onderwerp. Die verwijst in het volgende geval naar ik en daarbij hoort de persoonsvorm ben. Zin 1 is dus fout, zin 2 is goed.

  1. Ik die hier al 50 is, word nu ontslagen.
  2. Ik die hier al 50 ben, word nu ontslagen.

U hebt/heeft

Het ligt eraan of je u beschouwt als de tweede persoon (als beleefde vorm van jij) of als derde persoon (naast hij, zij, het). Hetzelfde geldt voor: u is of u bent, u zult of u zal. De variant met de tweede persoon (zin 1) wordt als formeler beschouwd dan die met de derde persoon (zin 2), maar beide zijn correct.

  1. U hebt een leuke dochter.
  2. U heeft een leuke dochter.

Je kunt/kan

Gebruik je je als vervanging van men, dan heeft de zin een algemene betekenis en verwijst deze niet naar een bepaald persoon. De persoonsvorm die bij men hoort, is die van de derde persoon: kan (zin 1). Als je naar de tweede persoon wilt verwijzen, moet je de persoonsvorm van de tweede persoon gebruiken: kunt (zin 2). Hetzelfde geldt voor: je zal of je zult.

  1. Je kan maar nooit weten.
  2. Je kunt het nooit weten.

Het nadeel is/zijn de investeringen

De persoonsvorm moet worden afgestemd op het deel dat de meeste informatie geeft. Het is soms niet duidelijk wat het subject is: het belangrijkste nadeel (zin 1) of de investeringen (zin 2). Je kiest dan voor het informatiefste deel, in dit geval de investeringen. Een andere oplossing is om de twijfel te vermijden en de zin om te vormen; daardoor vind je bovendien het informatiefste deel (zin 3).

  1. Het belangrijkste nadeel is de investeringen.
  2. Het belangrijkste nadeel zijn de investeringen.
  3. De investeringen vormen het belangrijkste nadeel.

Hij heeft/is gelopen

Je gebruikt bij de voltooide tijd (perfectum en plusquamperfectum) vaak het hulpwerkwoord hebben, bijvoorbeeld: Ik heb een brief geschreven of We hebben veel gelachen. Je gebruikt zijn bij een werkwoord dat een verandering van situatie aangeeft, zoals: groeien, veranderen, sterven, verhuizen.

Hebben Zijn
Hij heeft een huis gebouwd. Wat is ze veranderd.
Ze hebben er niks van begrepen. De baby is flink gegroeid.
Hij heeft de hele nacht doorgewerkt. Wanneer is hij overleden?
Het had die nacht gesneeuwd. Hij is te snel afgedwaald.

Bij werkwoorden van bewegen (lopen, fietsen, rijden) gebruik je hebben als alleen het bewegen wordt genoemd. Je gebruikt zijn als de plaats genoemd wordt waar de beweging naartoe gaat. Ingewikkeld? Kijk maar naar de voorbeelden:

Zij hebben deze zomer in Ierland gefietst.
Ze zijn naar Dublin gefietst.

Ik heb elke dag in de zee gezwommen.
Ik ben naar de overkant gezwommen.

We hebben in het bos gewandeld.
We zijn naar Arnhem gewandeld.

Herken je de fout?

  1. Zij hebben vorige week naar Parijs verhuisd.
  2. De bomen in de straat hebben enorm gegroeid. Ze zijn reusachtig geworden.
  3. Deze zomer heeft hij naar Santiago de Compostela gelopen.

Je moet in deze gevallen dus zijn gebruiken in plaats van hebben, omdat er een verandering van situatie wordt beschreven.

  1. Zij zijn vorige week naar Parijs verhuisd.
  2. De bomen in de straat zijn enorm gegroeid. Ze zijn reusachtig geworden.
  3. Deze zomer is hij naar Santiago de Compostela gelopen.

Meer werkwoordkwesties

Gepubliceerd door  Taalwinkel De regels van het Nederlands: Hoofdstuk 11 (Vormkenmerken van het werkwoord). 4 maart 2022