Taalwinkel

Centrale vraag

Na het formuleren van de probleemanalyse en de doelstelling volgt het formuleren van de centrale vraag. Dit is de vraag die je in je scriptie gaat beantwoorden. We gaan in op de richtlijnen, de onderdelen, de toelichting en het verband tussen de centrale vraag, en het doel en de onderzoeksmethoden. Tot slot kun je nog oefenen met het maken van een goede centrale vraag.

Onderdelen van de centrale vraag

Het belangrijkste bij een centrale vraag is dat die zo precies mogelijk is. Daarvoor is het belangrijk dat je weet uit welke onderdelen je vraag bestaat. Meestal zijn dat er drie:

  1. het domein
  2. de afhankelijke variabele
  3. de onafhankelijke variabele.

Soms heeft je vraag geen variabelen, dus dan is er alleen een domein. Dit komt vooral voor bij beschrijvende vragen, waarvoor je alleen literatuuronderzoek doet. We gaan er nu van uit dat je vraag uit alle drie onderdelen moet bestaan.

De drie onderdelen kunnen het beste worden uitgelegd aan de hand van een voorbeeld.

Eerste versie van je onderzoeksvraag

Wat gebeurt er (2) in Nederland (1) als het lang droog is (3)?

We beginnen bij het domein, het gedeelte waar het onderzoek zich afspeelt. In deze vraag is dat: ‘in Nederland’. Vervolgens kijken we naar het tweede onderdeel, de afhankelijke variabele. Dat is hier: ‘Wat gebeurt er’. Deze variabele is altijd afhankelijk van het volgende onderdeel van de vraag, namelijk de onafhankelijke variabele, in dit geval: ‘als het lang droog is’. Ofwel: wat er gebeurt, is afhankelijk van hoe lang het droog is.

Tweede versie van je onderzoeksvraag

Nu je weet wat je domein en je variabelen zijn, kun je per onderdeel proberen de vraag minder vaag, dus meer precies te maken.

  • Het domein was ‘in Nederland’. Dat is nogal een groot gebied; het gaat over alles in Nederland. Een preciezere formulering zou bijvoorbeeld kunnen zijn: ‘de hoger gelegen zandbodems in Noord-Brabant’. Hiermee heb je het gebied kleiner gemaakt en preciezer aangegeven wat je van dat gebied wilt onderzoeken.
  • De afhankelijke variabele was: ‘Wat gebeurt er’. Dat is nog vaag; er kan namelijk van alles gebeuren door droogte: de grond kan scheuren, er kunnen dieren doodgaan, planten kunnen dorst krijgen en er is nog wel meer te bedenken. We maken deze dus preciezer: ‘Wat wordt de opnamecapaciteit van de grond’.
  • De onafhankelijke variabele was: ‘als het lang droog is’. Bij deze variabele kun je jezelf twee vragen stellen om de vraag preciezer te maken: (1) wat is lang en (2) wat is droog? We maken hiervan: ‘bij een totale jaarlijkse neerslag van minder dan 400 milliliter’.

Je uiteindelijke onderzoeksvraag wordt dan:

Wat wordt de opnamecapaciteit van de grond (2) in de hoger gelegen zandbodems in Noord-Brabant (1), bij een totale jaarlijkse neerslag van minder dan 400 milliliter (3)?

Oefening: centrale vraag formuleren

Probeer nu zelf eens een centrale vraag te formuleren, aan de hand van het hier volgende voorbeeld. Probeer eerst het domein en de variabelen te vinden in de volgende centrale vraag. Formuleer vervolgens een tweede (preciezere) versie van deze onderzoeksvraag, waarbij je de richtlijnen in je achterhoofd houdt.

Wat moet de HvA doen om de studenten te helpen?

Vergelijk nu je antwoord met onze uitwerking van deze centrale vraag.

Gepubliceerd door  Taalwinkel 15 juni 2022