Taalwinkel

Het gebruik van ‘er’ en 'het'

In een aantal gevallen gebruik je 'er' om de zin compleet te maken. Zo ook wordt 'het' gebruikt in een aantal uitdrukkingen. Zonder 'het' is de uitdrukking niet compleet.

Het gebruik van 'er'

Er heeft geen nadruk, dus je moet goed luisteren om het te horen. Er zijn enkele regels, maar het komt vooral aan op veel oefenen en lezen. Kort samengevat zijn dit de regels voor het gebruik van er:

Plaats er Vervanging andere woorden? Vervanging door daar?
Locatie Na de persoonsvorm Ja Ja
Prepositie Na de persoonsvorm Ja Ja
Telwoord Na de persoonsvorm Ja Nee
Indefiniet subject Aan het begin van de zin Nee Nee
Passieve zin Aan het begin van de zin Nee Nee

Locatie en prepositie

Als je er gebruikt in combinatie met een locatie of prepositie, kun je het vervangen door daar. Bijvoorbeeld:

Ik ben er al jaren niet meer geweest. (locatie)

Ik heb er geen zin in. (prepositie)

Telwoord

Je kunt er gebruiken in combinatie met een telwoord als het duidelijk is waarnaar je verwijst. Bijvoorbeeld:

Hoeveel broers heb je? Ik heb er vier. Van hen heb ik er twee al jaren niet gezien.

Wil je nog meer broodjes mee? Nee, ik heb er al genoeg.

Heb je nog veel eieren in huis? Nee, ik heb er nog maar twee.

Indefiniet subject

Een indefiniet subject introduceert de plaatsbepaling van het substantief (onderwerp). Bijvoorbeeld:

Er zijn genoeg mensen hier.

Er is een ijswinkel in de stad.

Passieve zin

Een passieve zin kan beginnen met er. Bijvoorbeeld:

Er wordt hard gewerkt hier.

Uitdrukkingen met ‘er’

In een aantal uitdrukkingen wordt er gebruikt. Zonder er is zo’n uitdrukking niet compleet. Bijvoorbeeld:

Hij ziet er gezond uit. (eruitzien)

Ervandoor gaan: Ze ging er snel vandoor. (ervandoor gaan)

De student kreeg ervan langs. (ervan langs krijgen)

Dat komt ervan, als je niet op tijd bent. (ervan komen)

Ik ging er even tussenuit voor ik weer begon. (ertussenuit gaan)

Je kunt ervan uitgaan dat er morgen sneeuw ligt. (ervan uitgaan)

Herken je de fout?

  1. U ziet goed uit vandaag, beter dan gisteren. Voelt u zich ook beter?
  2. Ik ga snel vandoor. Het college begint over vijf minuten.
  3. Hij is helemaal overwerkt. Hij gaat een tijdje tussenuit.
  4. Heb jij een pasje? Ja, ik heb een.
  5. Hebben ze kinderen? Nee, ze hebben geen.
  6. Was er veel belangstelling voor zijn kaartjes? Ja, ik geloof dat hij zo’n honderd verkocht heeft.

Het woordje er ontbreekt in deze zinnen. Juist is:

  1. U ziet er goed uit vandaag, beter dan gisteren. Voelt u zich ook beter?
  2. Ik ga er snel vandoor. Het college begint over vijf minuten.
  3. Hij is helemaal overwerkt. Hij gaat er een tijdje tussenuit.
  4. Heb jij een pasje? Ja, ik heb er een.
  5. Hebben ze kinderen? Nee, ze hebben er geen.
  6. Was er veel belangstelling voor zijn kaartjes? Ja, ik geloof dat hij er zo’n honderd verkocht heeft.

Het gebruik van 'het'

Hier vind je een aantal uitdrukkingen waarin het wordt gebruikt:

  • Het koud hebben
  • Het warm hebben
  • Het goed hebben
  • Het slecht hebben
  • Het leuk hebben
  • Het naar je zin hebben
  • Het eens zijn met
  • Het weer goed maken met iemand
  • Het voor elkaar hebben
  • Het met iemand kunnen vinden
  • Het niet breed hebben
  • Het breed laten hangen

Het heeft in deze zinnen geen nadruk. Je moet dus goed luisteren om het te horen. Zeker in spreektaal wordt het vaak afgekort tot 't:

  • Ik ben 't er niet mee eens.
  • Wij hadden 't zo koud.
  • Ik geloof dat hij 't daar wel leuk heeft gehad.

Herken je de fout?

  1. A: Tilburg is de mooiste stad van Nederland.
    B: Daar ben ik niet mee eens.
  2. A: Lin Scholte schrijft interessante boeken.
    B: Daar ben ik helemaal mee eens.
  3. A: Ik vind deze regering niet zo daadkrachtig.
    B: Ik ben met jou eens.
  4. A: Vind je het prettig hier?
    B: Nee, ik heb koud.
  5. A: Hoe bevalt het studentenleven?
    B: Goed! Ik heb naar mijn zin.

In de antwoorden mist telkens het. Juist is:

  1. ... B: Daar ben ik het niet mee eens.
  2. ... B: Daar ben ik het helemaal mee eens.
  3. ... B: Ik ben het met jou eens.
  4. ... B: Nee, ik heb het koud.
  5. ... B: Goed! Ik heb het naar mijn zin.
Gepubliceerd door  Taalwinkel 4 maart 2022