Hét online taaladviespunt HvA en UvA

Keuze van de werkwoordstijd

Praten over de toekomst

 

Volgende week ben ik klaar met deze opdracht. (presens)
Mijn moeder wordt morgen zestig. (presens)
Ik ga de opdracht deze week afmaken. (gaan + infinitief)
Ik zal de opdracht volgende week inleveren. (zullen + infinitief

 

Let op: Je kunt ‘gaan’ + infinitief niet gebruiken als er ook nog ‘zijn‘, ‘hebben‘ of ‘gaan‘ in de zin staat:

Niet: Volgende week ga ik er niet zijn.
Maar: Volgende week ben ik er niet. / Volgende week zal ik er niet zijn.
Niet: Volgende week ga ik een andere baan hebben.
Maar: Ik heb volgende week een andere baan. / Ik zal volgende week een andere baan hebben.

 

Je kunt ‘gaan + infinitief’ ook niet gebruiken als er ook nog ‘willen‘, ‘moeten‘, ‘kunnen‘, ‘mogen‘ of ‘hoeven‘ in de zin staat:

Niet: Ik ga voortaan beter op mijn woorden moeten letten.
Maar: Ik moet voortaan beter op mijn woorden letten. / Ik zal voortaan beter op mijn woorden moeten letten.

 

Praten over het verleden

 

1. Met de voltooide tijd (perfectum)

 

Om (losstaande) feiten/gebeurtenissen te noemen die in het verleden plaatsvonden, gebruiken we meestal de voltooide tijd:

 

Wat heb je vandaag gedaan? Ik heb gewerkt en heb boodschappen gedaan.
Waar ben je geboren? Ik ben geboren in Appingedam. Daar heb ik achttien jaar gewoond. Daarna ben ik naar Groningen verhuisd.
Wat is er met de onderzoeksresultaten gebeurd? We hebben de resultaten van het onderzoek weergegeven in een tabel.

2. Met de verleden tijd (imperfectum)

 

Om een verhaal te vertellen dat zich in het verleden afspeelde, gebruiken we de verleden tijd (imperfectum).

 

Ik was nogal verlegen als kind. Ik speelde niet zo vaak met andere kinderen. Pas toen ik tien of elf was kreeg ik vriendinnetjes.
De Apollo I werd niet gelanceerd, maar was een ‘countdown test’, waarbij drie bemanningsleden omkwamen. Er ging van alles mis. Zo bleek er nauwelijks radiocontact mogelijk tussen bemanningen en ‘launch control’. Door kortsluiting ontstond er een vonk en de capsule vloog in brand.

Hierbij wordt de voltooide tijd vaak gebruikt om de luisteraar/lezer eerst ‘mee te nemen’ naar het verleden:

 

Ik heb het niet zo gemakkelijk gehad in mijn jeugd. (voltooide tijd) Ik was nogal verlegen …
De NASA heeft eind jaren zestig, begin jaren zeventig zeventien Apollo projecten uitgevoerd. De Apollo I …
Tips
  • Als je een zin begint in de verleden tijd, blijf die tijd dan in de hele zin gebruiken.
  • Leer de verleden tijdsvormen van de onregelmatige werkwoorden uit het hoofd.