Hét online taaladviespunt HvA en UvA

Afstuderen Stap 3: Onderzoeksmethoden

9 meetinstrumentenIn deze stap beschrijf je eerst welke onderzoeksmethoden je hebt gebruikt en waarom je hiervoor hebt gekozen. Daarna vertel je hoe je te werk bent gegaan tijdens je onderzoek. Je beschrijft de onderzoeksgroep en hoe je het onderzoek precies hebt uitgevoerd. Je vertelt welke meetinstrumenten je hebt gebruikt en je licht je keuzes toe. Ook geef je aan hoe je deze hebt ontwikkeld. Verder schrijf je hoe de dataverzameling is gegaan. Als je een vragenlijst hebt gebruikt voor je dataverzameling, neem je deze op als bijlage. Het is belangrijk om hier zo specifiek mogelijk te zijn. Andere onderzoekers moeten jouw onderzoek kunnen herhalen. Je vertelt bijvoorbeeld ook hoe lang interviews duurde, hoe je respondenten voor vragenlijsten benaderd hebt of welke instructie je hebt gegeven bij het uitvoeren van experimenteel onderzoek.

 

Bij alle methoden geldt dat ze moeten voldoen aan de gangbare onderzoekscriteria om de kwaliteit van (wetenschappelijk) onderzoek te garanderen:

  • Zo moet het onderzoek altijd onafhankelijk zijn en dus niet beïnvloed worden door voorkeuren en meningen. Een onderzoeker moet ook onafhankelijk zijn en blijven tijdens het onderzoek.
  • Daarnaast moet het onderzoek valide zijn. Ook de meetinstrumenten die je gebruikt, moeten valide zijn. Een valide meetinstrument meet wat het zou moeten weten. Als je je lengte wilt meten dan is een meetlat een valide meetinstrument, een weegschaal niet.
  • Je onderzoek moet naast valide ook betrouwbaar zijn. Dat betekent dat als je het onderzoek zou herhalen je dezelfde uitkomsten krijgt.
  • Verder moet je onderzoek zo opgezet zijn dat andere onderzoekers het onderzoek kunnen herhalen. Dat betekent dat je alles duidelijk moet vastleggen. Je moet precies vertellen hoe jij te werk bent gegaan en je moet zorgen dat de bronnen die je gebruikt controleerbaar zijn.
  • Tot slot zou het mooi zijn als je onderzoek generaliseerbaar is. Dat wil zeggen dat jouw onderzoeksresultaten gelden voor een grotere doelgroep dan je onderzoeksgroep. Als je bijvoorbeeld onderzoek doet naar de catering van een hogeronderwijsinstelling in Amsterdam, is het fijn als die onderzoeksresultaten ook gebruikt kunnen worden voor een universiteit in Amsterdam of een hogeronderwijsinstelling in Utrecht.

 

Hieronder volgt een toelichting op veelgebruikte onderzoeksmethoden:

 

Interviews of groepsgesprekken

Als je veel (diepgaande) informatie wilt krijgen van een persoon of meerdere personen, zijn (diepte-)interviews of groepsgesprekken waarschijnlijk de beste onderzoeksmethode. Het is belangrijk om je goed voor te bereiden op de gesprekken. Kijk bij interviewen hoe je je voor kunt bereiden en hoe je het meeste uit je interviews kunt halen.

Het grootste voordeel van deze methode is dat je door kunt vragen. Je kunt dus doordringen tot de achterliggende ideeën. Een ander voordeel van het afnemen van interviews of het voeren van groepsgesprekken is dat het overal mogelijk is. Je kunt naar mensen thuis gaan of ergens afspreken. Nadelen zijn dat je nooit volledig objectief kunt zijn en dat je geen conclusies kunt trekken voor de hele doelgroep. En het organiseren van interviews kost veel tijd en is niet eenvoudig.

 

Literatuuronderzoek

Bij vrijwel elk onderzoek doe je literatuuronderzoek. Literatuuronderzoek wordt soms ook wel desk-research of bureauonderzoek genoemd. Dit verwerk je grotendeels  in je theoretisch kader. Soms is literatuuronderzoek de enige onderzoeksmethode die je gebruikt. Literatuuronderzoek is vaak goedkoop en redelijk snel uit te voeren. Je bent namelijk niet afhankelijk van anderen en alle informatie is al beschikbaar. Het nadeel is dat je geen invloed hebt op het materiaal. Doordat de informatie al beschikbaar is, sluit het niet altijd goed aan bij jouw onderzoeksvragen. Ook kan het lastig zijn om de kwaliteit van de literatuur te beoordelen. Hoe je het beste literatuur kunt vinden en waar je op moet letten, wordt duidelijk uitgelegd op de site van de bibliotheek van de HvA.

Bij het verwerken van literatuur is het belangrijk dat je je aan de regels houdt. Lees hier meer over. Wil je weten hoe je geschikte literatuur kunt vinden, kijk bij zoeken naar literatuur.

 

Casestudie

Een casestudie is een aparte vorm van kwalitatief onderzoek, want bij een casestudie is er slechts één onderzoeksobject. Je kunt hierbij denken aan één persoon met een zeldzame ziekte die onderzocht wordt, maar ook aan één bedrijf of organisatie. Let wel op, als je alle medewerkers van dat ene bedrijf bevraagt, is er geen sprake meer van een casestudie. Het voordeel van het bestuderen van een onderzoeksobject is dat je veel diepgaande informatie kunt verzamelen, het nadeel is dat deze informatie vaak niet te generaliseren is.

 

Enquêtes

Als je kiest voor deze onderzoeksmethode dan neem je bij meerdere personen een vragenlijst af. Dit kan via websites of mail, telefonisch of face-to-face, denk aan de enquêteurs die je soms bij de supermarkt ziet. Als je mensen persoonlijk vragen stelt en daarbij ook doorvraagt, is er sprake van een interview. Het liefst bereik je natuurlijk je hele doelgroep, maar als je doelgroep te groot is, moet je genoegen nemen met een representatieve steekproef. Hoe je ervoor kunt zorgen dat je steekproef een goede afspiegeling is van de doelgroep waar je onderzoek naar doet, kun je hier  lezen. Je kunt je steekproefgrootte berekenen in de steekproefcalculator. Als je steekproef niet representatief is, kun je geen uitspraken doen over de doelgroep en dat is wel wat je wilt. Dit kan een nadeel zijn.

 

Een ander nadeel is dat je bij het afnemen van vragenlijsten vaak de respondenten niet kunt begeleiden. Je kunt ze eenmalig instructie geven, maar je kunt niet weten of ze de vragenlijst zo invullen zoals jij dat hebt bedoeld. Zo lijkt de vraag ‘Heb je gisteravond tv gekeken?’ eenvoudig. Maar respondenten kunnen deze vraag op verschillende manieren benaderen en daarmee tot verschillende antwoorden komen:

 

–          De tv stond wel aan, maar ik heb niet gekeken: nee

–          Ik heb niet gekeken, maar de tv stond wel aan: ja

–          Ik heb gisteravond niet gekeken, maar normaal gesproken doe ik dat wel: ja

–          Normaal gesproken kijk ik wel, maar ik heb gisteravond niet gekeken: nee

 

Doordat je niet door kunt vragen, weet je nooit hoe de respondent tot zijn antwoord is gekomen. Ook heb je met het digitaal versturen van vragenlijsten vaak te maken met een hoge non-respons. Het is belangrijk om hier bij de grootte van je steekproef rekening mee te houden en de vragenlijst altijd aan meer mensen te sturen dan je eigenlijk nodig hebt.

 

Het voordeel van enquêtes is dat je ze vaak vrij gemakkelijk kunt verwerken, zeker als je hiervoor een online tool, zoals SurveyMonkey gebruikt, en je kunt een grote groep personen deel laten nemen aan het onderzoek. Een ander voordeel van een onlinevragenlijst is dat respondenten in hun eigen tijd en in hun eigen tempo de vragen kunnen beantwoorden. Ook worden enquêtes vaak anoniem afgenomen waardoor de kans op sociaal wenselijke antwoorden klein is.

 

Let op! Het opstellen van een goede enquête is vaak lastiger dan het lijkt. Je moet jezelf altijd afvragen of je met de vragen die je stelt echt de antwoorden krijgt die je wilt hebben. Bekijk de checklist van Enquetemaken.nu voor tips bij het opstellen van enquêtevragen.

 

Experimenteel onderzoek

Bij experimenteel onderzoek verzamel je gegevens, meestal van proefpersonen, in een gecontroleerde setting. Je wilt daarmee je hypothese toetsen. Vaak gaat het erom het effect van X op Y aan te tonen. Je kunt dat op verschillende manieren doen. De twee meest voorkomende manieren zijn een testgroep vergelijken met een controlegroep en een testgroep vergelijken voor en na een interventie.

 

Je wilt bijvoorbeeld weten of een uitgebreider kantineassortiment een gunstige invloed heeft op tentamenresultaten. Bij alle UvA-kantines zorg je, in samenspraak met de cateraar, voor een verdubbeling van het assortiment. UvA-studenten kunnen nu uit twee keer zoveel producten kiezen als HvA-studenten. Voor je experiment volg je UvA-studenten die elke dag in de kantine komen en HvA-studenten die elke dag in de kantine komen. In SiS of een ander registratiesysteem houd je de tentamenresultaten van beide groepen gedurende een half jaar bij. Na een half jaar kun je aangeven of de tentamenresultaten van de UvA-studenten die je hebt gevolgd beter zijn dan de tentamenresultaten van de HvA-studenten die deelnamen aan het onderzoek.

Het nadeel van dit onderzoeksdesign is dat er andere mogelijke verklaringen zijn voor het verschil in tentamenresultaten. UvA-studenten kunnen namelijk ook met hetzelfde kantineassortiment hogere tentamencijfers halen. Je zou in dit geval dan ook eerst een voormeting moeten doen. Natuurlijk moet je ook zorgen voor eenzelfde verdeling tussen jongens en meisjes. Als in de UvA-groep bijvoorbeeld veel meisjes zitten en in de HvA-groep veel jongens, kan dat ook het verschil in tentamenresultaten verklaren.

Bij het uitvoeren van een experiment is het dus belangrijk dat je zoveel mogelijk andere verklarende factoren uitschakelt. Je wilt alleen weten of een uitgebreider kantineassortiment invloed heeft op tentamenresultaten, dus andere oorzaken mogen je onderzoek niet beïnvloeden.

 

Om andere verklarende factoren binnen de onderzoeksgroep (zoals geslacht) uit te schakelen, kun je ook een groep in de tijd volgen. Je volgt dan bijvoorbeeld de tentamenresultaten van een groep UvA-studenten gedurende een half jaar, je breidt vervolgens het kantineassortiment uit en daarna meet je weer een half jaar later de tentamenresultaten. Op deze manier blijft je onderzoeksgroep gelijk.

 

Bij dit tweede design is het belangrijk om het niveau van de tentamens gelijk te houden. Als de tweede ronde tentamens bijvoorbeeld makkelijker is dan de eerste ronde, dan kan dat betere tentamencijfers opleveren. Je kunt dan niet de conclusie trekken dat het kantineassortiment gezorgd heeft voor de betere resultaten.

 

Verder is het belangrijk dat je goed nadenkt over de instructie die je de proefpersonen geeft. Als proefpersonen weten dat ze meedoen aan een onderzoek kunnen ze bij tentamens bijvoorbeeld al beter hun best doen dan normaal. Al met al zijn er dus veel factoren die invloed kunnen hebben op je onderzoeksresultaten. Probeer vooraf zoveel mogelijk factoren te bedenken die eventuele uitkomsten zouden kunnen verklaren. Op die manier kun je inschatten waar je allemaal rekening mee moet houden en kun je je experiment zo goed mogelijk uitvoeren.

Bij elke vorm van onderzoek moet je duidelijk beschrijven wat je doet, waarom je dat doet en hoe je het precies doet, maar dit is bij experimenteel onderzoek extra van belang. Het is belangrijk dat andere onderzoekers je experiment kunnen herhalen.

 

Analyses

Als je literatuuronderzoek doet, analyseer je uiteraard bestaand materiaal, maar er is ook een andere vorm van analyse mogelijk. Je kunt namelijk ook gegevens die anderen hebben verzameld, vaak via experimenteel onderzoek, gebruiken voor een andere analyse. Dit scheelt uiteraard veel tijd en soms ook geld. De datasets van anderen kun je alleen niet meer naar je eigen hand zetten. De indeling ligt dus vast en je weet soms ook niet altijd hoe de data is verzameld en hoe goed dat is gebeurd.

 

Hieronder staan een aantal voorbeelden van kwalitatieve en kwantitatieve vragen:

 

Kwalitatieve vragen Kwantitatieve vragen
Wat zijn de wensen van de doelgroep? Hoe groot is de doelgroep?
Hoe zijn kantines van concurrenten ingericht? Hoeveel concurrenten zijn er?
Welk assortiment biedt de cateraar van de UvA/HvA Hoeveel producten kun je kopen in de kantine van de UvA op de locatie Bungehuis?
Welke trends zijn er op het gebied van eten?  

 

De deelvragen in het voorbeeld zou je met verschillende onderzoeksmethode kunnen beantwoorden:

1. Welke trends zijn er op het gebied van inrichting?

Interviews met trendwatchers

Literatuuronderzoek

 

2.  Welke trends zijn er op het gebied van eten?

Interviews met trendwatchers

Literatuuronderzoek

 

3.  Hoe zijn kantines van concurrenten ingericht (assortiment (diversiteit), de – inrichting van de – ruimte waarin gegeten kan worden inclusief voorzieningen (zoals de aanwezigheid van wifi), de mogelijkheid om in de kantine te eten en om eten mee te nemen, de wachttijden/wachtrijen, de kosten van de producten en de service/klantvriendelijkheid)?

Observaties (bij kantines van concurrenten)

Interviews met concurrenten

 

4. Wat zijn de wensen van de doelgroep ?

Focusgesprekken met studenten en medewerkers van de UvA en HvA

Enquêtes afnemen bij studenten en medewerkers van de UvA en HvA