Hét online taaladviespunt HvA en UvA

Homoniemen: antwoorden

Hieronder volgt het rijtje met homoniemen. Homoniemen zijn woorden die er hetzelfde uitzien, maar verschillen in betekenis.

 

  1. arm: lichaamsdeel / niet rijk
  2. deken: kleed / geestelijke
  3. draagbaar: gedragen kunnende worden / brancard
  4. gerecht: rechtbank / maaltijd
  5. graven: spitten / adellijke personen
  6. griep: meertandige mestvork / influenza
  7. kater: dier / naweeën van een drinkgelag
  8. kop: beker / hoofd
  9. koper: iemand die koopt / metaal
  10. kussen: hoofdkussen / zoenen
  11. laken: verwijten / doek op een bed
  12. licht: schijnsel / niet zwaar
  13. maal: keer / maaltijd
  14. monster: specimen / eng beest
  15. pitten: slapen / meervoud van pit
  16. punt: spits / leesteken
  17. raad: advies / college
  18. schroef: bevestigingsmiddel / scheepsonderdeel
  19. sirene: zangster / toestel dat een geluidssignaal geeft
  20. slot: einde / burcht
  21. toeter: claxon / stomdronken
  22. toets: proef / indrukbaar ‘blokje’
  23. traan: druppel vocht uit de ogen / vette olie afkomstig van zeedieren
  24. vorst: koning / vrieskou
  25. weer: gesteldheid van de atmosfeer / opnieuw
  26. zij: zijde / persoonlijk voornaamwoord

Bron: Onze Taal.

 

Ging deze oefening niet zo goed? Wil je meer weten over het vergroten van je woordenschat of ben je benieuwd hoeveel woorden een student eigenlijk moet kennen? Kijk bij Tips voor de uitbreiding van je woordenschat.